Sinds de oprichting van het wereldkampioenschap voor constructeurs in 1958 hebben enkele teams in slechts enkele maanden tijd opmerkelijke vooruitgang geboekt.
Wanneer het gebrul van de motoren wegsterft, zijn het het discrete genie van de ingenieurs en de durf van enkele coureurs die het landschap van de Formule 1 hertekenen. Teams die vroeger in het midden van het peloton reden, zijn dankzij een combinatie van technisch vernuft en onverschrokken talent meerdere keren op het podium beland, een patroon dat zich herhaalt sinds Lotus in het begin van de jaren 60 tot aan de dominantie van Williams in de jaren 80 en 90.
Lotus: van bescheiden begin tot een racemachine bestuurd door Clark De Lotus van Colin Chapman had het moeilijk om zich te bewijzen tot 1958, het jaar waarin het team eindelijk zijn eerste punten scoorde. De doorbraak kwam met de aanwerving van het Schotse wonderkind Jim Clark, wiens samenwerking met het innovatieve chassis van Chapman het team tot een krachtpatser maakte. Na een korte tegenslag als gevolg van wijzigingen in het reglement in 1962, maakte Lotus in 1963 een spectaculaire comeback: Clark behaalde zeven overwinningen in tien races en verzekerde zich van het kampioenschap met slechts één uitvalbeurt tijdens de openingsrace van het seizoen.
| Jaar | Positie | Punten | Overwinningen | |
| 1 | 1958 | 6 | 3 | 0 |
| 2 | 1959 | 4 | 5 | 0 |
| 3 | 1960 | 2 | 34 | 2 |
| 4 | 1961 | 2 | 32 | 3 |
| 5 | 1962 | 2 | 36 | 3 |
| 6 | 1963 | 1 | 54 | 7 |
Brabham: Jack's gok werpt zijn vruchten af Tweevoudig wereldkampioen Jack Brabham nam de gewaagde beslissing om zijn eigen auto's te bouwen nadat hij Cooper had verlaten. De eerste races leverden bescheiden punten op, maar het derde seizoen werd bekroond met twee overwinningen. Hoewel 1965 geen trofeeën opleverde, zorgden de consistente prestaties van de coureurs ervoor dat het team naar de derde plaats in het constructeursklassement klom. De echte doorbraak kwam in 1966-1967, toen Brabham acht overwinningen behaalde in twee seizoenen en twee opeenvolgende wereldtitels in de wacht sleepte. Een opleving in het begin van de jaren tachtig zorgde ervoor dat het team van de achtste plaats in 1979 naar de derde plaats in 1980 klom, waarbij Nelson Piquet onder leiding van Bernie Ecclestone in 1981 en 1983 het coureurskampioenschap won.
| Jaar | Positie | Punten | Overwinningen | |
| 1 | 1962 | 7 | 6 | 0 |
| 2 | 1963 | 3 | 28 | 0 |
| 3 | 1964 | 4 | 30 | 2 |
| 4 | 1965 | 3 | 27 | 0 |
| 5 | 1966 | 1 | 42 | 4 |
| 6 | 1967 | 1 | 63 | 4 |
De wedergeboorte van Ferrari onder Lauda Zelfs de meest prestigieuze teams kunnen tegenslagen kennen. Na de titel die John Surtees in 1964 won, zakte Ferrari naar de onderste regionen van het klassement. In 1970 kwam er een technische doorbraak met de 312 B van Mauro Forghieri, waarmee Jacky Ickx dat jaar tweede werd en in 1971 vierde. De echte ommekeer kwam echter in 1974, toen Enzo Ferrari de relatief onbekende Oostenrijker Niki Lauda in dienst nam. Lauda's scherpzinnige technische inzicht leidde tot een herontwerp van de 312 B3, waardoor Ferrari in 1975 kampioen werd en in de twee daaropvolgende seizoenen nog twee titels toevoegde.
| Jaar | Positie | Punten | Overwinningen | |
| 1 | 1971 | 3 | 33 | 2 |
| 2 | 1972 | 4 | 33 | 1 |
| 3 | 1973 | 6 | 12 | 0 |
| 4 | 1974 | 2 | 65 | 3 |
| 5 | 1975 | 1 | 72,5 | 6 |
| 6 | 1976 | 1 | 83 | 6 |
| 7 | 1977 | 1 | 95 | 4 |
Williams: technisch doorzettingsvermogen werpt zijn vruchten af De eerste jaren van Frank Williams werden gekenmerkt door financiële moeilijkheden en een gespannen samenwerking met Walter Wolf. De ommekeer kwam met de aanstelling van ingenieur Patrick Head, die het chassis volledig herbouwde. De poleposition van de FW07 op Silverstone in 1979 gaf Alan Jones een kans op de overwinning, maar door een betrouwbaarheidsprobleem kon Clay Regazzoni winnen en bezorgde hij Williams zijn eerste overwinning. Het team eindigde dat jaar als tweede in het constructeurskampioenschap en won de titel het volgende seizoen. Een periode van aanhoudende uitmuntendheid in de jaren 80 en 90 versterkte de positie van Williams als een van de meest succesvolle en gerespecteerde namen in de sport. Het terugkerende thema in deze verhalen is duidelijk: visionaire techniek in combinatie met gedurfde coureurs kan een team van onbekendheid naar de top van de Formule 1 brengen. Het is deze alchemie tussen talent en technologie die nog steeds bepalend is voor de meest spectaculaire ommekeer in deze sport.
| Jaar | Positie | Punten | Overwinningen | |
| 1 | 1975 | 9 | 6 | 0 |
| 2 | 1976 | Niet geklasseerd | 0 | 0 |
| 3 | 1978 | 9 | 11 | 0 |
| 4 | 1979 | 2 | 75 | 5 |
| 5 | 1980 | 1 | 120 | 6 |
Red Bull: van een bescheiden begin naar een tijdperk van dominantie
De geschiedenis van Red Bull Racing leest als een handleiding over geduldige investeringen die hun vruchten afwerpen. Toen Dietrich Mateschitz in 2004 het noodlijdende Jaguar-team overnam, was het team nauwelijks zichtbaar. Zijn eerste aanwinst, David Coulthard, wist op de Nürburgring punten te behalen met de RB1, maar dat was een van de weinige hoogtepunten van dat eerste seizoen. Het jaar daarop bracht weinig verbetering: chronische betrouwbaarheidsproblemen zorgden ervoor dat de auto's de races niet konden uitrijden, een situatie die meerdere seizoenen aanhield.
De ommekeer kwam in 2009 met de komst van het duo Vettel-Webber. Hun chemie werkte meteen, en de Grand Prix van Oostenrijk in Shanghai leverde een spectaculaire dubbelslag op: Sebastian Vettel startte vanaf poleposition en won de race, op de voet gevolgd door Mark Webber. Dit resultaat luidde een nieuw hoofdstuk in voor het Oostenrijkse team.
De opmars van Red Bull ging snel. Na een rustige periode tussen 2005 en 2008, waarin het team elk jaar als zevende eindigde in het constructeursklassement met een bescheiden aantal punten, klom het in 2009 naar de tweede plaats, met 153,5 punten en zes overwinningen. De doorbraak kwam volledig in 2010, toen Vettel de coureurs- en constructeurstitels won, een prestatie die hij herhaalde in 2011, 2012 en 2013, met in totaal 34 overwinningen in die vier seizoenen. Deze dominantie duurde voort totdat het tijdperk van de hybride V6-motoren het deelnemersveld opnieuw vorm gaf.
| Jaar | Positie | Punten | Overwinningen | |
| 1 | 2005 | 7 | 34 | 0 |
| 2 | 2006 | 7 | 16 | 0 |
| 3 | 2007 | 5 | 24 | 0 |
| 4 | 2008 | 7 | 29 | 0 |
| 5 | 2009 | 2 | 153,5 | 6 |
| 6 | 2010 | 1 | 498 | 9 |
| 7 | 2011 | 1 | 656 | 12 |
| 8 | 2012 | 1 | 460 | 7 |
| 9 | 2013 | 1 | 596 | 13 |
Andere opmerkelijke ommekeer
Red Bull is niet het enige team dat zijn lot heeft herschreven. McLaren, dat eind jaren zestig en begin jaren zeventig in het midden van het peloton bungelde, klom naar de top dankzij de titels van Emerson Fittipaldi in 1972 en 1974, gevolgd door die van James Hunt in 1976. Aan de andere kant van het Kanaal veroverde het Franse team Ligier een respectabele plaats, met onder meer de poleposition van Jacques Laffite in Monza in 1976 en een tweede plaats in het kampioenschap in 1980. In het begin van de jaren 2000 klom BAR van de onderste plaatsen in het klassement naar een verrassende tweede plaats in 2004, om het jaar daarop weer terug te vallen naar de zesde plaats. Maar de meest spectaculaire ommekeer vond misschien wel plaats in 2009, toen het nieuwe team Brawn GP, ontstaan uit de as van het terugtrekkende Honda, in zijn eerste seizoen zowel de coureurs- als de constructeurstitel won, een triomf die de weg vrijmaakte voor het daaropvolgende tijdperk dat gedomineerd werd door Mercedes.